Het maandelijkse Science Café lichtte een tipje op van de manier waarop baby's taal leren, en wat ze daarvoor doen. (Foto's: Jan van der Sluis)

Wat baby's van taal (moeten) weten

‘Poelepoelewoe’. Niemand die vreemd zal opkijken als je op die manier een baby toespreekt. Maar evenmin zijn er veel mensen die zich afvragen hoe diezelfde baby een paar jaar later hele zinnen spreekt (en moeilijke vragen stelt). Claartje Levelt (prof.dr.) doet dat wel. Op dinsdag 6 oktober was het podium van het maandelijks Science Cafe voor haar. Voor zo’n zestig mensen lichtte zij een tipje van de sluier op, want de wereld van baby’s en taal(verwerving) is té groot en complex om in een uur uit de doeken te doen.

oefenen
‘Gewoon. Oefenen en nadoen’ Zo zal een groot deel van ons denken over de manier waarop baby’s een taal leren. Het is een stuk complexer. Stel je maar voor dat je iets hoort waarvan je niets wéét dat het een taal is, laat staan dat je weet welke klanken woorden vormen. Een baby begint precies daar en het is eigenlijk heel bijzonder dat hij binnen zo’n twee-drie jaar woorden kan vormen.

volgorde
Het begint met het besef dat je als baby geluiden kunt maken. De stembanden worden uitgeprobeerd, maar met geluid wordt ook dan al contact gezocht. De baby is dan enkele maanden oud. Taal is het dan nog niet. Zo rond het eerste jaar duikt dat op in het ‘een-woordstadium’ als de baby eenlettergreep woorden kent. Tegen de tijd dat baby twee is, zijn er meer woorden beschikbaar en komen de zinnen. Maar vaak zullen die woorden nog in een foute zinsbouw staan: ‘schaap dat slaapt… niet’ is een ‘schaap dat niet slaapt’. Maar waar ‘niet’ precies hoort te staan?!

vóórdoen, niet corrigeren
Voor de ouders van een baby: het blijkt weinig zin te hebben die ‘fouten’ te herstellen. De baby leert haast instinctmatig. Mits aan de baby voldoende taal – gebarentaal kan ook – wordt aangeboden, dan blijkt hij ‘slim’ genoeg om daarvan te leren. Praten en voorlezen, dus. En je realiseren dat sommige baby’s langzamer zijn dan anderen en dat sommigen helemaal niet hóuden van voorlezen. Wel stellen ze een echt, levend mens als verteller op prijs.

hoe leer je taal?
Om een taal te gebruiken moet je hem leren, maar je moet hem ook kunnen gebruiken. Dat bleek nog wel het lastigste deel voor Claartje Levelt, om dát onderzoek uit te leggen. Je hebt het immers over een situatie waarin je niet kunt vragen: ‘hoe doe je dat?’. En dus kom je al snel in vrij complexe onderzoeksopzetten met voorbehouden en veronderstellingen.

technieken om woorden te vinden
Baby’s blijken de klemtoon te gebruiken om woorden te herkennen. Zonder dat we dat altijd bewust doen, structureren we daarmee zinnen. Baby’s blijken ook gevoelig voor iets met de naam ‘co-articulatie’: lettergrepen binnen een woord worden meer aaneen gesproken dan lettergrepen voor en na een ‘spatie’, een woordgrens. Baby’s herkennen dat en leren daarmee woorden, met vallen en opstaan. Op een gegeven moment (b)lijken ze een soort van kansberekening toe te passen om de klankenbrij te ordenen in woorden en zinnen. Sommige klanken/lettergrepen, ontdekken ze, lijken bij elkaar te horen, terwijl andere zelden bij elkaar horen.

de ontbrekende afsluiter
Baby’s blijken meer te weten dan je zou denken als je ze ‘fouten’ hoort brabbelen. Zo maken ze bij 14 maanden van woorden als ‘boot’ eerst ‘boo’. Uit onderzoek blijkt dat ze die medeklinker wél hoorden, maar niet opsloegen in hun geheugen. Bij 18 maanden bleek dat wél het geval. De afsluiting van het woord – een ‘coda’ genaamd – lijkt te worden opgeslagen als een soort joker, een plek waar meerdere letters kunnen worden ingevuld.

moeilijk onderzoeken
Hoe moeilijk het is onderzoek te doen naar dit onderwerp, bleek. Het vinden van baby’s die willen meedoen, is al een kunst. Sommige vallen in slaap; andere interesseert het geen lor. Indirect onderzoek, waarin de ene indicator wordt verondersteld ook een indicator te zijn voor iets anders, is de enige weg om te bepalen wat baby’s weten. Een belangrijke indicator is dan ‘weg kijken’ als indicatie voor ‘verlies aan interesse’ en dat op zijn beurt als indicatie voor ‘dit ken ik al’. Veel van de baby’s zijn van hoger opgeleide ouders; lager opgeleide ouders zijn lastiger te vinden. Onderzoek in Palo Alto (VS) geeft aan dat er wel verschillen bestaan tussen beide groepen, maar dat de belangrijkste wellicht een langzamere ontwikkeling bij de ‘laag opgeleide baby’s’ is.

tweetaligheid
Het tweede uur van de avond was gereserveerd voor vragen uit het publiek. Een groot deel daarvan ging over tweetaligheid: hoe doen baby’s dat? Hoe onderscheiden ze talen? Er blijkt een website te bestaan over het onderwerp: Bilingual Matters. Ook de vragen hoe je baby’s stimuleert/helpt kwamen voorbij. Veel voorbeelden, veel praten bleek een belangrijke. Corrigeren helpt niet echt, maar verduidelijkend ‘hè?’ zeggen stimuleert weer wel. Dat daagt de baby/peuter uit beter na te denken en de fout te herstellen. Dat dat niet altijd een juiste uitspraak garandeert, bleek ook wel. Sommige woorden en klanken zijn té moeilijk en dan moet je, als baby, kiezen welke letter te niet uitspreekt.

De muzikale omlijsting was in handen van de Crownhunters uit Leiden/Voorschoten.

Het eerstvolgende Science Cafe is op 10 november en is gewijd aan de Spitsbergen-expeditie die ondermeer onderzoek deed naar smeltende ijsvelden. Een van de deelnemers komt daarover vertellen.

Nieuws


Studio
Middelstegracht 87A
2312 TT Leiden

E-mail
redactie@sleutelstad.nl

Telefoon Redactie
071 - 5235907

×