Emile Jaensch met de verplichte armband die schaatsters moesten dragen tijdens het rijden van de Elfstedentocht om zwartrijders tegen te gaan. (Foto's: Gerry van Bakel).

Emile Jaensch kijkt met weemoed terug op 'Hel van het noorden'

Het was een doldriest plan. Niet gehinderd door al te veel kennis, ervaring of goed materiaal stapt Emile Jaensch op 4 januari 1997 het ijs op in Leeuwarden. Lang nadat de grote namen van start zijn gegaan. Het wordt een helse tocht met ijs op de rug en lauwe thee. “Je weet echt niet waar je aan begint.”

Het is vijfentwintig jaar geleden dat de Elfstedentocht werd verreden. De legendarische Tocht der Tochten. De schaatswedstrijd waar iedere fanatieke schaatser van droomt hem ooit te mogen rijden. Het overkwam Emile Jaensch, in het dagelijks leven nu burgemeester van Oegstgeest. Toen een student met een paar roestige noren van vijf gulden. En genoeg jeugdige overmoed. Maar ook Ausdauer, zoals hij het zelf noemt. “Ik kan heel diep gaan, de pijn verbijten.”

Verslaggeefster Gerry van Bakel in gesprek met Emile Jaensch over zijn Elfstedentocht in 1997: de hel van het noorden.

Bij Bolsward zouden er vrienden langs het ijs staan en onderweg bedacht Jaensch zich: dan ga ik lekker mee in de auto. Gelukkig voor hem heeft hij die vrienden niet gezien. Want zo kwam hij er toe om toch door te schaatsen, tegen beter weten in. De hel van het noorden in.

De Elfstedenkoorts begon in de jaren tachtig. Thuis op de bank in Zeeland bekeek Jaensch de beelden van een winnende Evert van Benthem op de Bonkevaart. Dat zou toch wat zijn. Om ooit de Elfstedentocht te schaatsen. Niet dat hij zo’n schaatser was, maar toch. Tijdens de studie in Amsterdam werd het schaatsvuurtje aangewakkerd. Voor vijf gulden tikte hij een paar oude noren op de kop op het Waterlooplein. “Ik had alleen ijshockeyschaatsen, daar kun je geen tochten op maken.”

Brief
Na wat schaatslessen had Jaensch voor zijn gevoel wel een aardig slagje te pakken. “Toen heb ik me voor de grap ingeschreven voor de Elfstedentocht.” Die toen al jaren niet was verreden, dus hoe groot is de kans? In november 1996 kreeg Jaensch een brief uit Friesland. ‘U bent ingeloot voor de Elfstedentocht, voor het geval hij dit seizoen gereden wordt.’ Maar een echte dikke ijslaag leek heel ver weg. Dus stond er in de kerstvakantie dan ook gewoon een vakantie naar BelgiĆ« gepland.

“En toen werd het ineens kouder en ging het kriebelen”, zegt Jaensch in zijn kantoor op het gemeentehuis van Oegstgeest. Waar het flink waait en de temperatuur verre van winters is. “Ik besloot eerder terug te komen. Het werd me afgeraden om op het laatst nog heel veel te gaan schaatsen. Uitgerust zijn is ook belangrijk voor zo’n tocht. Ik heb dus wel wat geschaatst, maar niet veel.”

Wanten
Afgezien van de afwezige schaatskilometers in de benen is zijn outfit misschien wel een groter obstakel. “Tegenwoordig is het natuurlijk helemaal een ander verhaal. Maar ik droeg gewoon een paar wanten, een muts, een trui en meerdere paren sokken over elkaar, want mijn schaatsen waren eigenlijk iets te groot.”

Die sokken zouden hem nog bijna opbreken, want als er al duizenden schaatsers voor je over de sloten en vaarten in het noorden van Friesland zijn gereden, is er geen sprake meer van mooi en glad ijs. “Het ijs had gaten en scheuren en overal stond water, mijn voeten werden klompen ijs. Ik zal je besparen hoe mijn tenen er na afloop uitzagen.”

Naast alle fysieke malheur en de angst om het niet te halen of om van het ijs gehaald te worden, zijn er ook mooie herinneringen. Aan het finishgevoel in Dokkum. “Het leek wel carnaval, een warm bad.” Of die vrouw in Harlingen die hem een droge trui geeft en een handdoek die ze met een veiligheidsspeld om zijn borst vastmaakt. “We hebben nog adressen uitgewisseld en toen kon ik door, al mocht het eerst niet van de politie.”

Pan thee
Maar vanuit Harlingen gaat er slechts sporadisch een bus naar Leeuwarden en het is glad. De kortste weg is wellicht toch via het ijs. Het is dan inmiddels pikkedonker. Geen lichten, geen publiek. Alleen op het slechter wordende ijs. Ergens ziet Jaensch een meisje met de pan thee aan de kant staan. “Ik kreeg een kop lauwe thee en vroeg haar waar ze woonde. Ze wees in de verte naar een boerderij. Ze mocht pas naar huis als de pan leeg is. Die pan heb ik maar in het riet gegooid. Kon zij naar huis. Zo’n ontmoeting bracht een beetje warmte. Ik voelde me weer mens.”

Na het warme bad van Dokkum is het nog 24 kilometer naar de finish op de legendarische Bonkevaart in Leeuwarden. Die er vlak voor twaalf uur ’s nachts toch wat anders uitziet dan op televisie. Er is licht en publiek. Maar het is toch een beetje een afknapper. Het echte feest is in de binnenstad. Jaensch levert zijn felbegeerde stempelkaart in en zoekt twee paar schoenen uit. Hij loopt naar de bus die hem naar zijn gastgezin zal brengen. Daar wacht hem enkel een koude douche. Al het warme water is al op.

Kruisje
Terug in Amsterdam is er niemand die het gelooft. ’s Maandags op het werkt gaat het natuurlijk over schaatsen. Iedereen heeft op het ijs gestaan. Jaensch herinnert zich dat hij daar zegt: “Ik ook. Ik heb 200 kilometer geschaatst. Er wordt wat gelachen. Mensen kennen mij niet als een sporter en over schaatsen heb ik het nooit gehad. Laat staan dat ik heb gezegd dat ik me had ingeschreven voor de Elfstedentocht.”

Het bewijs komt twee maanden later in de post. “Een klein kruisje, toen geloofden mensen mij pas.” Terugkijkend op de tocht beseft Jaensch dat hij vooral de mentale de kracht had om het te doen. “Nu ben ik beter in vorm, denk ik. Maar ik heb ook voorkennis. Ik weet niet of ik dat oerinstinct nu nog naar boven zou kunnen halen. Toch zou ik het morgen weer doen. En dat kruisje koester ik.”

 

  • Foto: Emile Jaensch
    Foto: Emile Jaensch

In 2012 schreef Emile Jaensch een blog over zijn Elfstedentocht.

 

Oegstgeest Sport


Studio
Middelstegracht 87A
2312 TT Leiden

E-mail
redactie@sleutelstad.nl

Telefoon Redactie
071 - 5235907

×