Snouck Hurgronje: Oude boeken en papieren (aflevering 11)

1

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) is de bekendste Leidse Islamgeleerde. Minder bekend is dat juist hij de methode bedacht waarmee rond 1900 de koloniale oorlog in Atjeh zowat gewonnen werd. Dit was de bloedigste oorlog uit de Nederlandse geschiedenis. Schrijfster en onderzoekster Vilan van de Loo duikt diep de archieven in en publiceert op Sleutelstad.nl twaalf weken achter elkaar een column.

Chris de Waard in gesprek met onderzoekster Vilan van de Loo over de laatste jaren van Christiaan Snouck Hurgronje tot zijn overlijden.

In 1928 voelt Christiaan Snouck Hurgronje dat zijn tijd op raakt. Aan de Atjeh-generaal Klaas van der Maaten schrijft hij in een vertrouwelijke brief: “De ouderdom laat zich bij mij steeds meer gevoelen, ook in de zeer verminderde werkkracht. Ik geef nog altijd een vijftal uren per week college. Dit is anders bij ons met emeriti geen gewoonte, maar het kost mij weinig inspanning en geeft mij eene aangename afleiding, waar het ondernemen van nieuwe wetenschappelijke onderzoekingen mijne krachten te boven gaat.”

Emeriti, tot die groep behoort hij inmiddels, de academici die met pensioen zijn gegaan. Dat Snouck zelf schrijft over een ‘zeer verminderde werkkracht’ is veelzeggend. De man die eens genoegen schepte in meegaan op militaire expedities door Atjeh, heeft energie en levenskracht moeten inleveren. Maar wát hij kan, dat doet hij. Onder degenen die hij nog onderwijst, bevindt zich een bijzondere leerlinge. In februari 1928 bericht hij daar met kennelijke trots over:

“Ik weet niet, of ik U indertijd schreef, dat ik van October af, op speciaal verzoek der Koningin, in weerwil van mijn emiritaat, een privaat-college geef aan Prinses Juliana: een uur per week over Islamica en andere Orientalia. Ik mocht daartoe niet buitenshuis gaan; zij komt met vijf andere dames de lessen bij mij halen”.

De waardering van de zijde van het hof was merkbaar groot, want:

“Toen de Kerstvacantie eindigde, werd ik met de collega’s, wier colleges H.K.H. volgt, en de universiteitsautoriteiten benevens plusminus 25 jonge meisjes, door de ouders der Prinses tot een diner ten Hove genoodigd. Het diner was schitterend en werd opgeluisterd door muziek; nu en dan zongen daarbij al die bakvischjes het Io Vivat en meisjesstudentenliederen. […] Na het diner werden we anderhalf uur bezig gehouden door een goochelaar, waarbij mij het streelende gevoel bekroop, dat ik nog niet te oud geacht was voor een kinderpartijtje. Prins Hendrik savoureerde de goocheltoeren meer dan een der aanwezigen”.

Zo was het dus. Weinig energie, lesgeven en gevleid zijn door eerbetoon. Dat gebrek aan energie was niet zozeer aan de ouderdom te wijten. In zijn brieven spreekt hij over “eene matige hartvergroting” .

Het is vooral in de brieven aan Klaas van der Maaten dat hij zich laat kennen. Hij voelt zich oud. Hij haalt graag herinneringen op uit de Atjehtijd. Hij is ontvankelijk voor elk blijk van sympathie en waardering. Het sentiment ontroert bij vlagen – hier schrijft een man die voelt dat zijn dagen geteld zijn, en alle waardering van de buitenwereld ten spijt, verlangt hij terug naar de oorlogstijd in Atjeh, met de momenten van kameraadschap, van gezamenlijk iets tot stand willen brengen.

Ontdek hier de mythe over Christiaan Snouck Hurgronje. (Video: Kleef & Koop).

De waardering van de buitenwereld blijft komen. In 1925 kreeg hij een aanbod voor een professoraat in het Arabisch aan gestichte Nationale Egyptische Universiteit en in 1931 gaat hij op speciaal verzoek lesgeven over de Islam aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag, voor de hoogste officieren die naar Indië zullen gaan. En dan is er zijn persoonlijke leven nog, thuis met zijn vrouw Ida en hun dochter Christine, geboren in 1914.

Aan Klaas van der Maaten schrijft Snouck in 1932: “Ik lijd aan overmatige gehechtheid aan oude boeken en papieren, zoodat de mij omgevende rommel een schrikbarenden omvang heeft verkregen.” Die omvang zou hij geleidelijk proberen terug te brengen, zoals later uit de brieven van Christine zal blijken. In deze jaren gaat zijn gezondheid verder achteruit. In 1935 schrijft hij: “Ik ga langzaam berg af om tot den vaderen verzameld te worden. In den laatsten tijd gaat die tocht geleidelijk, misschien in ietwat versnelden pas, maar zonder schokken.”

Het was zijn bewonderaar Van Calcar, die in 1936 een van zijn laatste bezoekers was. “Zwijgend zat Snouck Hurgronje aan de groote werktafel, waarop, als steeds, berichten uit alle deelen der wereld om raad, om advies, zoo heel dikwijls ook om hulp en voorspraak vroegen.” Snouck vraagt hem later die middag nog eens langs te komen. Dat doet Van Calcar. Maar dan is Snouck gestorven.

Van Calcar in zijn boek De meester:
“In den vroegen morgen van den 26en Juni 1936 werd hij op het kerkhof aan de Groenesteeg te Leiden naast zijn moeder ter ruste gelegd. Ik was de eenige, die hem op zijn laatsten tocht begeleidde en daarbij heb ik in alles getrouw zijn voorschriften gevolgd”.

Decennia na zijn dood werd zijn nalatenschap aan de Leidse universiteit overgedragen. Tenminste, wat daarvan nog over was. Zijn dochter schrijft in 1956 aan de conservator: “Mijn Vader bewaarde inderdaad al zijn correspondentie, – later, toen zijn daartoe dienend kastje vol was, alleen hetgeen hem om enigerlei reden van belang scheen,- ongeacht de wetenschappelijk inhoud of – betekenis van die brieven”.

Alleen hetgeen hem van belang scheen? De rest dus niet. Dat moet de eerste grote opruimslag zijn geweest. Niet de laatste. in 1979 schreef Christine: “De in verband met benoemingen, toekenningen van beurzen e.d. zeer in détails tredende correspondentie Snouck Hurgronje-Hazeu betreffende talloze Indonesische persoonlijkheden, meenden wij [Moeder en ik] terwille van de ‘privacy’ en gezien de zo delicate verhoudingen, geheel te moeten vernietigen. Na het uitbreken van de tweede wereldoorlog hebben wij hetzelfde gedaan met één of twee boze brieven van Van Heutsz over Colijn, en een bundeltje brieven van een ons niet bekend persoon met denigrerende uitlatingen over enige andere Nederlanders, die in 1939 verantwoordelijke posities bekleedden.”

Hier hebben we de tweede en derde opruimslag. Wat over was, mocht naar de Leidse universiteitsbibliotheek.

Volgende week: Leiden, wat doen we nu?

Deze productie is tot stand gekomen met steun van het Leids Mediafonds.

 

Delen

1 reactie

Over de auteur

Vilan Van de Loo

Je bent nu offline