Snouck Hurgronje: Helden en schurken (aflevering 10)

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) is de bekendste Leidse Islamgeleerde. Minder bekend is dat juist hij de methode bedacht waarmee rond 1900 de koloniale oorlog in Atjeh zowat gewonnen werd. Dit was de bloedigste oorlog uit de Nederlandse geschiedenis. Schrijfster en onderzoekster Vilan van de Loo duikt diep de archieven in en publiceert op Sleutelstad.nl twaalf weken achter elkaar een column.

Chris de Waard in gesprek met onderzoekster Vilan van de Loo over de terugkeer van Christiaan Snouck Hurgronje naar Leiden.

Na de Eerste Wereldoorlog veranderde alles. Nog altijd was Nederland een koloniale macht, maar hoe lang zou dat zo blijven? Overzee in Indië groeide het nationalisme, het verlangen naar een zelfstandig Indonesië. Het verlangen leidde tot tijdschriften, organisaties en leiders die niet meer, zoals eerder wel het geval was geweest, met militaire strategie stil te krijgen waren.

Wat niet meer zou helpen: militair geweld. (Nederland had bezuinigd op het leger). Infiltreren om informatie over land en volk te achterhalen. (Dat trucje was bekend) Een-tweetjes tussen een wetenschapper en een militair. Overzee was de nieuwe tijd merkbaar. Het was niet zozeer de vraag of Indië zich autonomie zou toe-eigenen, maar wanneer. Waar zijn de mannen uit die Atjeh-oorlog gebleven? De doeners, de denkers, degenen die de kolonie verder onder het Nederlandse gezag brachten, degenen die destijds de regering zo pas kwamen.

Van Heutsz zit in Zwitserland, met de diagnose tuberculose. Na Indië heeft hij zich in Amsterdam geprofileerd als bekende Nederlander, toespraken gehouden over het belang van defensie (zowel van Nederland als van Indië) en zich als zakenman ontwikkeld. Maar tbc is dan een dodelijke ziekte. Niets aan te doen. Van Heutsz schrijft zijn laatste brieven, blijvend overtuigd van zijn eigen gelijk. Hij wacht op het onvermijdelijke.

Van Daalen woont in Den Haag, waar hij van zijn pensioen geniet. En van de stilte. In 1907/1908 is er een grote maatschappelijke rel geweest omtrent vermeende wreedheden begaan te Atjeh, in de Gajo-en Alaslanden. Van Daalen was bevelhebber, Van Heutsz verantwoordelijk officier, Snouck Hurgronje de man die alle benodigde informatie over het gebied leverde. Die rel loopt slecht af voor Van Daalen: hij krijgt de schuld. Gekwetst treedt hij af als gouverneur van Atjeh. Later keert hij terug als commandant van het KNIL. Maar nu, begin twintiger jaren, heeft hij helemaal geen zin meer in gedoe. Het stigma van schurk kleeft aan zijn naam, meer nog dan aan Van Heutsz.

Ontdek hier de mythe over Christiaan Snouck Hurgronje. (Video: Kleef & Koop).

En dan is er Snouck Hurgronje, die in Leiden een blijvende roem geniet vanwege zijn Atjeh-publicaties en adviezen. Hij heeft het imago van een held-geleerde, een man die erop uit trok uit naam van de wetenschap. In 1920 is hij 63 jaar en nog altijd werkzaam aan de universiteit. Het is de bacterioloog en hoogleraar Reinder Pieter van Calcar die hem een innige bewondering toedraagt. Dat blijkt uit zijn kleine boek De meester (1936) , met passages als:

“Drie uren lang heb ik dien avond geluisterd naar den man, die niet slechts door de nederige beoefenaars, doch ook door tal van corypheeën der Oostersche wetenschappen gedurende zijn lang en zegenbrengend leven in vele talen met ‘mijn meester’ werd aangesproken”.

“Een uur daarna kwam ik thuis. Op de eenzame avondwandeling werd het mij duidelijk, dat mijn levensweg dien van den grootsten docent en psycholoog, dien ik ooit ontmoette, had gekruist, dat ik kennis had gemaakt met den koning van den humor, ook van den bijtenden humor, dien men wel sarcasme noemt. Ik had ook geleerd, dat achter een strak uiterlijk en een stalen blik een ziel schuil kan gaan, die met groote piëteit en innige dank­ baarheid kan spreken over figuren, ‘die het leven van anderen aan het hunne knoopten”. 

“Na het jaar 1921 zijn er, behalve vele andere dagen, weinig Zondagen voorbijgegaan, dat ik Snouck Hurgronje niet bezocht.”

Die adoratie moet Snouck Hurgronje hebben goed gedaan. Maar hij zal als intelligent man ook hebben beseft dat hij minder en minder serieus werd genomen als adviserend wetenschapper. Wanneer hij in 1923 in het tijdschrift De Gids een artikel publiceert waarin hij pleit voor ‘krachtige hervorming van de staatsinrichting van Nederlands-Indië’ waarbij de kolonie een ‘zo groot mogelijke autonomie’ moet krijgen, doet de regering er verder niets mee. Dat was vroeger wel anders. Zo zal de adoratie bitterzoet zijn geweest.

In 1925 viert de universiteit haar 350-jarig bestaan. Koningin Wilhelmina zal een eredoctoraat ontvangen, en over het Rapenburg loopt een lange stoet hoogleraren: Einstein is erbij, Snouck, andere hoogleraren. Tijdens de receptie voert Wilhelmina met Snouck een gesprek, waarover is niet overgeleverd.

Dus zo was het in de jaren twintig, de periode tussen twee wereldoorlogen in. Snouck staat het meeste op de voorgrond, maar eerder voor eerbetoon dan voor wezenlijke adviezen. In deze tijd moet hij besluiten hebben genomen over zijn nalatenschap. Zijn boeken. Zijn brieven. En vooral: zijn imago.

Volgende week: Oude boeken en papieren.

Deze productie is tot stand gekomen met steun van het Leids Mediafonds.

 

Delen

Laat een reactie achter

Over de auteur

Vilan Van de Loo

Je bent nu offline