Uitgegleden: en nu verder

In de podcast die IJsbrand Terpstra ook deze keer samenstelde, zijn de mensen te horen die we de afgelopen ruim anderhalve jaar geregeld spraken. Waar staan zij nu? Wat is de toekomst op korte termijn? Op een mensenleven zijn die anderhalf jaar niet eens veel. Toch gaven ze een indruk van wat dakloosheid is en ook tot waar die invloed heeft. In de artikelen hebben we ‘de andere kant’ aan de orde gehad: de mensen die zich beroepsmatig bezighouden met de maatschappelijke opvang. Ook aan die kant speelt van alles. In dit laatste artikel zetten we wat zaken die ons daar opvielen op een rij.

Een belangrijke opmerking vooraf: wanneer ben je eigenlijk dakloos-af? Je zou goed kunnen beredeneren dat je dat nooit meer wordt, omdat de dakloosheid onderdeel is geworden van je geschiedenis en je ook heeft gevormd. Dat is ook precies wat de trouwe podcastluisteraar heeft kunnen horen. Dat heeft u ook kunnen lezen. De wens van in het bijzonder Roel om ervaringen te gebruiken als ervarings(des)kundige. De opmerkingen van hulpverleners over de invloed van dakloosheid op de (weg naar) volwassenheid van jonge daklozen. Misschien nog wel het sterkst in de opmerkingen die zijn gemaakt over de kwetsbaarheid die mensen bij zichzelf ontdekten. En waarvan ze zelf zeggen dat het goed zou zijn als zij daar – op basis van vrijwilligheid – ondersteuning (op aanvraag) zouden kunnen krijgen. Zulke vangnetvoorzieningen zijn niet bijzonder. Ze bestaan in andere (zorg)sectoren ook. Dakloosheid is in dat licht bezien ook een traject van zelfkennis opdoen.

In deze serie artikelen en podcasts nemen we een kijkje in de wereld van de dak- en thuislozenzorg. De aandacht gaat vooral uit naar de spanning in het systeem; niet om zondebokken of schuldigen te vinden, maar om stil te staan bij de gevolgen van het denken en doen over dak- en thuisloosheid. Vandaar dat in deze artikelen námen niet worden gebruikt bij citaten, maar wel functieaanduidingen. Belangrijk om te weten, is dat het zoeken naar (botsende) belevingswerelden betekent dat béide een werkelijkheid vertegenwoordigen, maar ook dat ‘werkelijkheid’ niet synoniem is met ‘waar’. In deze serie gaat het niet om de vraag ‘wie gelijk heeft’.

Welke werkelijkheid kiezen we
Hoe zit het met de mensen die zich beroepsmatig bezighouden met de maatschappelijke opvang? Dat is een uiterst interessante vraag. Opvallend is dat er een behoorlijk verschil bestaat tussen de uitvoerende werkers en de formele organisatie. Een aantal keer is kritiek geuit op organisaties, op onwetendheid bij die organisaties. Tegelijk kwamen we in gesprek met de mensen in die organisaties. In de, vaak ruim anderhalf uur durende, gesprekken met hen doet zich iets bijzonders voor: zeer geregeld bleek in de individuele gesprekken dat organisatiebeeld en persoonlijk beeld niet honderd procent overeenkwamen.

Dat is relevant, want waar varen we dan op? Is de directeur bepalend of vooral het gezicht van een organisatie? Is beleid een weergave van een eigen realiteit en bepaalt de dagelijkse realiteit een eigen agenda? Het antwoord op die vragen is beide keren ‘ja’. Maar het is een situatie waarvan we ons mogen afvragen of die wordt gezien en erkend. Eerder lijkt een vasthouden aan een papieren werkelijkheid de reële werkelijkheid van alledag geen recht te doen.


Abonneer je op ‘Uitgegleden’ via Apple Podcasts, Spotify, Google Podcasts, Soundcloud of Stitcher en luister ook de andere negen afleveringen uit deze serie.

Maar er moet toch één lijn zijn? Er moet toch leiding zijn? Aan die vragen raakten we toen we schreven over maatwerk. Maatwerk gaat uit van de individuele situatie als uitgangspunt en het bestaan van een gereedschapskist aan interventies voor de hulpverlener. Aan hem of haar is de keuze daaruit te kiezen. Het is een van de meest gehoorde geluiden van hulpverleners: het idee dat regels en procedures het werken onnodig lastig maken. Uiteraard kan iedereen voor eigen parochie preken en vooral voordelen voor de eigen visie (en soms organisatie) zoeken. Maar in de gesprekken met de hulpverleners kwam dat niet op die wijze terug. Sterker, daar leeft sterk het idee dat er samengewerkt moet worden, dat andere methodieken moeten worden onderzocht, en dat afstemming noodzakelijk is.

Eerst een woning, dan begeleiding
We vonden dat elders ook terug. Bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport coördineert men de landelijke aanpak dak- en thuisloosheid jongeren. Leiden is daarin één van de deelnemers. Dat is te merken, want veel van wat in dat programma wordt beweerd, gevonden en uitgeprobeerd, hoorden we in Leiden van de betrokken hulpverleners. Jammer genoeg kunnen we niet beweren dat het een Leids effect is op een landelijk programma. Het kan immers ook andersom zijn.

Interessante ideeën zijn er meer. Jouw Ingebrachte Mentor (JIM) bijvoorbeeld – zie onderaan – dat iets wegheeft van een variant op de Eigen Kracht-gedachte. Maar wel: ‘Voor een professional betekent de JIM echter nog wat meer. Werken met JIM impliceert namelijk ook een andere manier van denken en doen’. Dat karakteriseert eigenlijk veel van de ideeën. Housing First – ook daarover onderaan meer– is eveneens zo’n paradigmawisseling, een wezenlijk andere manier van kijken en werken: eerst een woning dan begeleiding. Geen voorwaarden vooraf. Die aanpak verschilt als dag van nacht van hersteldenken en traject-aanpakken, óók van partnerorganisaties.

En waar het goed begon, zoals bij de keukentafelgesprekken in het begin, ontwikkelde het zich allengs tot afvinklijstjes voor excelsheets

In een opinie-artikel in NRC (15 januari 2021) put hoogleraar en oud-minister Jet Bussemaker uit eigen ministeriële ervaring: ‘Ik hoorde heel veel organisaties zeggen dat ze de mens centraal stelden, maar er waren er maar weinig die écht luisterden naar diezelfde mensen. En waar het goed begon, zoals in het begin bij de keukentafelgesprekken in het kader van de Wmo, ontwikkelde het zich allengs tot afvinklijstjes voor excelsheets’. Afvinklijstjes, waar de vaardigheid van werkers centraal zou moeten staan.

Vernietiging van maatschappelijk kapitaal
Het is verleidelijk om nieuwe aanpakken, visies en organisatiemodellen in te voeren ter vervanging van het bestaande. Daarin schuilt een groot risico. Als er iets is wat de maatschappelijke opvang kenmerkt dan is dat mogelijk de kennis van de netwerken, van de sociale kaart en van de wegen daarin. Die kennis zit bij de uitvoerende werkers en is lastig te waarderen in… ja, wat? Geld? Kwaliteit?

Nederland heeft een traditie van kritische beschouwers van het welzijnswerk. Jos van der Lans is er een van. Hij wijst op de (negatieve) effecten van het marktdenken, en vooral het aanbesteden, in deze sector. Een effect dat een andere denker, hoogleraar Hans van Ewijk, aanduidt als ‘georganiseerde discontinuïteit’. Dat is geen ideologisch argument, maar een zakelijke waarneming. We vernietigen (teveel) kennis en ervaring. Ook dat is in de eerdere artikelen aan de orde geweest in vormen als: werkers die hun beroep als een roeping ervaren, als: ambtenaren in randgemeenten die aangeven zelf kennis te moeten opdoen, als: ambtenaren die aangeven nieuwe netwerken te moeten opbouwen. Daar wordt ook aan gewerkt en er wordt vooruitgang geboekt.

We hebben bestuurders nodig met een moreel kompas. Moedige leiders die niet het beleid veranderen om ministers of toezichthouders te behagen, maar omdat het tot de kern van hun professie behoort

In de Duin- en Bollenstreek overlegt men, deelt kennis en ervaring, en maakt afspraken wie wat doet. Dat maakt de opgelopen achterstand op korte termijn niet goed. En het is te hopen dat er niet weer nieuwe visies op maatschappelijke opvang en organisatie worden geïntroduceerd. Bussemaker is daarover niet optimistisch: we hebben ‘bestuurders nodig met een moreel kompas. Moedige leiders die niet het beleid veranderen om ministers of toezichthouders te behagen, maar omdat het tot de kern van hun professie – het leveren van goede zorg – behoort. Die tegenspraak organiseren, en bereid zijn waar nodig ongemakkelijke gesprekken te voeren’ . Want, hoe we het ook bekijken, iedere verandering raakt ook en vooral leven en mogelijkheden van degenen om wie het allemaal is begonnen.

De cliënt is van waarde
Daarmee raken we aan een complexe factor. Hoe waardeer je een cliënt? Is dat iemand die door eigen schuld, door eigen falen of door eigen gebrek aan capaciteiten in de problemen raakte? Is het iemand die is overvallen door een uniek geval van stomme pech? Het complexe zit ‘m verscholen in het feit dat door organisaties daarover verschillend wordt gedacht; terwijl ze wel degelijk aan dezelfde mens hulp bieden.

Twee organisaties komen er in de verhalen bekaaid vanaf. Project JA als het gaat over jongeren en de Stadsbank als het gaat over financieel beheer. De geluiden zijn onder te brengen onder de noemer ‘rigide’. Feitelijk exact juist is niet zo relevant. Dat is de beleving wel. Het beeld wat daaruit oprijst, is dat van concurrerende visies en aanpak, en een gebrek aan over all regie. Het maakt het totaal aan interventies, van schuldsanering en maatschappelijk werk tot re-integratie en begeleiding naar werk, stukken minder effectief. Ook nu heeft iedereen het belang van de cliënt voor ogen of plaatst de cliënt centraal, maar door dat op verschillende manieren in te vullen, doet uiteindelijk niemand dat echt goed en doeltreffend.

De mensen die wij spraken, zijn zeker wel in staat hun eigen leven vorm te geven. In alle verhalen die in de podcasts zijn te beluisteren, weerklinkt niet dat levens moeten worden overgenomen of heringericht, maar wel er hulp wordt gevraagd op bepaalde terreinen omdat een en ander boven het hoofd is gegroeid. Dat is wezenlijk. Interventies als JIM en Housing First hanteren dat uitgangspunt expliciet. Ook moet duidelijk zijn dat het etiket ‘dakloze’ afschudden misschien mogelijk is, maar dat de onderliggende oorzaken vaak niet een-twee-drie zijn opgelost. De kwetsbaarheid blijft. Opvallend: de daklozen die wij spraken, erkennen dat ook en suggereren langdurige hulp op hun zwakke plekken. In de ‘normale wereld’ is die zelfkennis minder aanwezig.

De weerstand zit dan blijkbaar op een haast ongrijpbaar niveau: dat van de informele obstructie, het niet enthousiast meewerken

In de gesprekken met de hulpverleners doet zich nog iets voor. Vaak zien zij cliënten als kwetsbaar, maar zeker niet als onmondig of zonder toekomst. Toch is dat niet bepaald het gedeelde beeld. Cliënten dienen zich te conformeren aan de (standaard)aanpak. Sterker, initiatieven om de kennis er ervaring van daklozen te gebruiken als ervaringsdeskundigheid lopen stuk. Niet omdat de organisatie daarin problemen ziet, maar omdat ervaringsdeskundigheid wordt gezien als een bedreiging van de professionele beroepshouding. De weerstand zit dan blijkbaar op een haast ongrijpbaar niveau: dat van de informele obstructie, het niet enthousiast meewerken. Dat roept de vraag op of de hulpverleners gelijk hebben, die ons vertelden dat dit werk een zekere bevlogenheid vereist, haast een roeping is, maar dat er een tegenstroom bestaat die hulpverleners ziet als ‘soft’ en ‘te meegaand’. Die tegenspraak kan net zo goed worden vertaald in wel of niet strikt de regels volgen.

De plaats doet ertoe
De aanleiding om aan Uitgegleden te beginnen, ligt in het gegeven dat een jaar of drie geleden is bedacht dat maatschappelijke opvang moet worden gedecentraliseerd. Iedere gemeente zou verantwoordelijk worden voor zijn ‘eigen’ daklozen. Hoe zou dat uitpakken? Immers, de ene gemeente is de andere niet, en de ene gemeente heeft veel (ervaring met) daklozen en andere heel sporadisch. Wij hebben dat geconcretiseerd door een aantal daklozen te volgen in de podcasts en tegelijk de wereld van de beroepsmatig betrokkenen en de dilemma’s en uitdagingen daar te schetsen.

De decentralisatie pakt anders uit, blijkt. Van de mensen die we volgden, is niemand in de gemeente van herkomst terechtgekomen. Dat is niet vreemd, want niet iedereen wil dat of wil dat niet nu. Ze hebben er, tussen twee haakjes, ook weinig over te zeggen: we stuitten op verhalen van mensen die, zonder duidelijke indicatie, binnen de GGZ kwamen te wonen. Je wordt, kortom, geplaatst. Gelukkig wordt er wel geprobeerd rekening te houden met waar je zeker niet terecht wilt komen. Dat moet je dus wel weten, die mogelijkheid.

Uiteindelijk blijft Leiden een sterke magneet. De stad, waar men verwacht anoniemer te kunnen leven, blijft trekken, ook omdat je je daar moet aanmelden. De lokale aanmeldpunten zijn schaars en niet populair.

Verantwoording
In deze serie artikelen en podcasts namen we een kijkje in de wereld van de dak- en thuislozenzorg. De aandacht gaat vooral uit naar de spanning in het systeem; niet om zondebokken of schuldigen te vinden, maar om stil te staan bij de gevolgen van het denken en doen over dak- en thuisloosheid. Wil je reageren? Stuur dan een mail naar uitgegleden@sleutelstad.nl.

Meer dan in de artikelen zijn in de podcasts de daklozen zélf aan het woord gelaten. In de artikelen willen we het materiaal aanreiken om die geluiden in perspectief te plaatsen. Het project Uitgegleden is tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Leids Mediafonds. Niet onvermeld mag blijven, is de rol die Hans de Kinderen had om ons links en rechts te introduceren, en de rol van ambtenaren, hulpverleners en bestuurders die ons openhartig te woord stonden.

Leestip
Voor wie zich verder wil oriënteren:

Leiden Maatschappij Regio Uitgegleden


Studio
Middelstegracht 87A
2312 TT Leiden

E-mail
redactie@sleutelstad.nl

Telefoon Redactie
071 - 5235907

Whatsapp Studio
071 - 5235908

×